Rode biet: Historie

1. Herkomst
 
De strandbiet (Beta vulgaris maritima) is vrijwel dezelfde biet als de gewone biet (Beta vulgaris vulgaris) en die onder verschillende cultuurvormen beschikbaar is. Het is dan een belangrijke leverancier van suiker (suikerbiet), van veevoer (voederbiet), van groente (rode biet en snijbiet). De wilde vorm van dat zo veelzijdige landbouwgewas is de strandbiet. Die is dus ooit getemd. De strandbiet bereikt maximaal een hoogte van zo'n meter. Hij heeft kale rechtopstaande stengels die soms wat rood aanlopen.

De strandbiet is een plant, die zowel tegen hoge concentraties zout kan als in droge omstandigheden kan overleven. Dat zoute en droge milieu speelt een belangrijke rol bij de verspreiding van de strandbiet omdat hij juist daar de strijd met andere planten kan winnen. Ook het feit dat er maar weinig ziekteverwekkers bestaan, die zich aan die omstandigheden hebben aangepast, is de strandbiet altijd relatief veilig geweest voor aantasting. Om zich staande te houden in de zanderige bodem van een zandstrand hebben de wortels zich bovendien houtachtig ontwikkeld en dat maakt het voor vervelende ziekteverwekkers als aaltjes en nematoden bijzonder lastig om die wortels binnen te dringen. Zelfs plantenvirussen kunnen nauwelijks overleven in zo’n zilte ondergrond.
Waar de oorsprong van de strandbiet precies ligt is nog steeds raadselachtig. Onderzoekers menen dat de strandbiet in Midden-Europa moet zijn ontstaan omdat daar zelfs nu nog zoveel wilde soorten te vinden zijn. Uiteindelijk denkt men dat de uiteindelijke herkomst van de strandbiet in Zuidwest-Azië moet worden gezocht omdat daar, in het verre verleden, zich niet alleen de oervormen van tarwe en gerst hebben ontwikkeld, maar ook de ganzenvoeten (Chenopodiaceae), de familie waartoe ook de bieten behoren.

Het eerste gebruik van de strandbiet moet al in de prehistorie hebben plaatsgevonden. Het loof werd geoogst en als rauwe of gekookte groente gebruikt. De bladeren, zelfs in de winter heldergroen van kleur, konden nauwelijks over het hoofd gezien worden door de hongerige bewoners van de kuststrook. Archeologen hebben in Nederland nabij het West-Friese Aartswoud resten gevonden van een kamp met versteende bietenzaden. De resten zijn gedateerd op 3000 vC. Er zijn aanwijzingen dat toen al zowel het loof als de wortel werden gegeten.

Bovendien is het van belang dat in het noordelijke kuststroken de wortels steviger ontwikkeld zijn dan in het zuiden van Europa, kennelijk doordat het weer hier simpelweg vaker slechter kan zijn: de wortels moeten zich steviger aan de bodem vastklampen om niet weggespoeld te worden.

2. Domesticatie
 
Gebaseerd op gereedschap, dat aangetroffen is in Neolitische nederzettingen, zijn voedingsgewassen als tarwe en gerst voor het eerst rond 8500 vC in het Midden-Oosten verbouwd. De kennis van deze eerste landbouw is vervolgens via land- en zeeroutes verspreid naar het Middellandse Zeegebied en vervolgens – veel langzamer – naar Midden-Europa.

Het verbouwen van bieten zou wel eens rond 8000 vC begonnen kunnen zijn in Mesopotamië. De kennis verspreidde zich daarop naar het Middellandse Zeegebied, waar zelfs nu nog een grote variëteit aan primitieve bietenrassen bestaan. Die wilde voorouder kon wel eens veel lijken op die welke nu nog in Turkije of Afghanistan worden aangetroffen: met een erg korte levensduur en lange, tentakelachtige wortels. Dat zou ook kunnen betekenen dat de biet voornamelijk ten behoeve van zijn loof werd gegeten. Zelfs nadat de strandbiet werd ‘getemd’ bleef hij tot op het moment van vandaag in sommige kuststreken nog gewoon op het menu van de bewoners staan.
Ook wordt door geschiedkundig onderzoek overtuigend aangetoond dat de biet al gedurende het tijdperk van de bouw van de pyramides in Egypte (vanaf ca 2700 vC) verbouwd moet zijn geweest. De Griekse schrijver Herodotes (ca 484 – 425 vC) meent in ieder geval van wel. De immense hoeveelheid mankracht, die de Egyptenaren op de been brachten voor de bouw van de pyramides, verorberden natuurlijk ook grote hoeveelheden voedsel en dat kon alleen maar betekenen dat er wel georganiseerde landbouw plaats moest vinden. Gizeh en andere bouwplaatsen in Egypte lagen bovendien soms ver van de kust en ook dat is een aanwijzing dat bieten toen al gecultiveerd moesten zijn.

3. De Klassieke Oudheid

De Griek Aristophanes (446-386 vC) was degene die het woord voor (het verbouwen van) bieten als eerste duidelijk heeft opgeschreven. Hij noemt het woord ‘biet’ dat op dat moment in de historie wordt geschreven als τευτλσν (seutlon of teutlon) in enkele van zijn toneelstukken. Volgens Von Lippmann noemt Homerus (ca 800-750 vC) datzelfde woord in een oude uitgave van zijn satire 'Batrachomyomachia' - een oorlog tussen kikkers en muizen -, maar wat Homerus met dat woord bedoelde blijft onduidelijk. Volgens diezelfde Von Lippmann dateert de eerste onomstreden benoeming van de Beta maritima uit de vier eeuw vC toen Diocles van Carystos de biet beschreef in een medisch boekwerk waarin hij zelfs gedroogde bladeren in opgenomen had. Diocles beweerde dat de wilde biet een veel voorkomende plant was langs de Griekse kusten en dat hij behoorlijk verschilde van de gecultiveerde variant. Die gecultiveerde variant werd in twee types aangetroffen: de witte (λενχόυ) en de zwarte (μελαν). Voor de strandbiet gebruikte Diocles de term βλιτσς (blitos).

In zijn ‘Historia Plantanum’ (ca 295 vC) beschreef de filosoof Theophrastus (ca 372-ca 287 vC) ook een tweetal varianten van de gecultiveerde biet, de zwarte en de witte. Ook toen nog hadden deze bieten de langwerpige wortels van de oervorm. Volgens sommigen beschreef Aristoteles ook nog een derde variant, de rode biet.
[Afbeelding: Jean Henri Jaume Saint-Hilaire]
Theophrastus beschreef in zijn boekwerk ook de medicinale aspecten van de biet en vanaf dat moment wordt de biet gezien als zowel een voedingsplant als een medicinale plant. De medische kant van de biet worden het duidelijkst omschreven door Hippocrates, vader van de moderne geneeskunde.

In ‘De Re Rustica’ (274 vC) gebruikte de Romeinse schrijver en politicus Marcus Porcius Cato Censorius maior (234-149 vC) voor de allereerste keer het woord ‘Beta’ wanneer hij de ingrediënten benoemt voor een laxeermiddel.

Er bestaan nogal wat theorieën over de oorsprong van de naam ‘beta’ en de meest eenvoudige is natuurlijk dat óf de biet óf het zaad lijkt op de Griekse letter beta (β). Ikzelf geloof daar niet zo in en heb meer vertrouwen in de meer organische afstamming van het woord uit het oorspronkelijke Grieks: βλιτσς (blitos) > Blitum > Bleta > Beta.

4. De Middeleeuwen

Na de geleidelijke teloorgang van het Romeinse Rijk begonnen in West-Europa de Middeleeuwen (ca 500-ca 1500 nC). Onder invloed van de kerk kwam onderzoek vrijwel geheel tot stilstand en werden vernieuwende ideeën actief bestreden. Niet voor niets staat deze periode in Engelstalige landen ook wel bekend als de Dark Ages (Duistere Eeuwen).

Monniken hielden zich slechts bezig met het kopiëren van bestaande boeken en mede door de voortdurende oorlogen en brand gingen ook veel onvervangbare werken verloren. Nuttige kennis over de biet liep zelfs terug en het feit dat bieten ondertussen in zo’n beetje alle landen plaatselijke namen hadden gekregen hielp ook niet echt om de bestaande kennis te bundelen. Bovendien bleken diverse varianten ook weer eenvoudig met elkaar te kunnen (terug)kruisen.
[Foto: www.springer.com]
In de vroege negende eeuw nC werd bijvoorbeeld in een anonieme verhandeling het woord ‘blitum’ gebruikt als synoniem voor de strandbiet. De in die verhandeling beschreven informatie over de biet kon worden teruggevoerd op het werk van de Spaanse aartsbisschop Isodorus van Sevilla (ca 560-636 nC) en die had zijn kennis weer van de al eerder genoemde Griek Teophrastus (371 vC – 287 vC). Vele generaties monniken schreven de boeken over en in de loop van de eeuwen ging door vertaalfouten nog meer oorspronkelijke kennis verloren.

Slechts de Arabieren (of Moren) bleven onderzoek doen naar de biet en via de Moorse invasies in Spanje kwam sporadisch nieuw werk in handen van de kloosters. Onvermeld blijft in de officiële annalen van de geschiedenis de kennis van de kruidenvrouwen, die de taak van de plaatselijke dokter op zich had genomen.

5. Renaissance

Toen de Middeleeuwen langzaam, maar zeker op hun eind liepen, ontstond vanuit Italië een culture beweging die later bekend werd als de Renaissance, de ‘Wedergeboorte’. Het was een wat romantische kijk op het idee dat de duistere Middeleeuwen plaats maakten voor een nieuwe periode van licht. Er werd ook met een scheef oog gekeken naar de klassieke oudheid in de hoop dat die tijden zouden terugkeren.

Het was de ontdekking van de microscoop (en de telescoop) die een eerste aanzet gaf voor een nieuwe manier van kijken naar de natuur. Die microscoop toonde eindelijk de échte structuur van planten en dieren. De afbeeldingen in de boekenwerken over flora werden daardoor ook steeds nauwkeuriger.

De witte en de rode biet (Beta candida en Beta nigra) werden beschreven en afgebeeld in een boek van Leonhard Fuchs uit 1555. Hier wordt pas duidelijk dat de Grieken met de Beta nigra de rode biet hebben bedoeld. Hieronymus Bock in zijn boekwerk 'Krauter Buch' uit 1560 beschreef de kenmerken van de Beta agrestis, de Beta nigra en de Beta candida. De naam agrestis werd in de meeste gevallen gebruikt als synoniem voor sylvestris en dat was de Latijnse naam voor de strandbiet. De Lobel in zijn 'Plantarum seu stirpium historia' (1576) noemde de strandbiet onder de naam Beta sylvestris spontanea marina. Die naam was vermoedelijk simpelweg samengevoegd uit diverse andere bronnen.
[Foto: Carl Linneaus]
Rond 1650 was de biet zo ingeburgerd dat de Franse botanicus Pierre Magnol (1638-1715) schreef dat Nihil est culinis Beta frequentius ist (‘Niets wordt meer in de keuken gebruikt dan biet’). Men meent dat de strandbiet in de Middeleeuwen nog steeds tot de meest geoogste wilde planten behoorde in diverse kuststreken rondom de Middellandse Zee.

Wat wel bleef waren de onduidelijkheden qua naamgeving omdat men nog geen afspraken had over wetenschappelijke namen voor planten. Daarvoor moesten we wachten tot 1735 toen Carl von Linné of Carolus Linneaus (1707-1778) zijn boek ‘Systema naturae’ publiceerde. Hij plaatste de bieten in een eigen geslacht en er bestonden volgens hem een tweetal soorten biet: Beta vulgaris en Beta maritima. De eerste omvatte alle gekweekte varianten, terwijl de tweede soort afkomstig moest zijn van een al in de prehistorie uitgestorven oervorm. Die laatste conclusie van Linneaus zou nog heel wat stof doen opwaaien, want niet iedereen was het daarmee eens.

Bron: Beta Maritima - The Origin of Beets. Zie hier.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen